Korting op proceskostenvergoeding rechtsbijstand in Wahv
De A-G heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. Sinds 1 januari 2024 bepaalt art. 13a lid 2 Wahv dat voor zover proceskosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in beginsel een korting moet worden toegepast door het bedrag dat aan proceskostenvergoeding wordt uitgekeerd te vermenigvuldigen met 0,1 of 0,25. Die bepaling is door het Hof Arnhem-Leeuwarden in deze zaak buiten toepassing gelaten omdat de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat zij strijd oplevert met art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol EVRM. De A-G vordert dat de Hoge Raad het arrest van het hof in het belang van de wet vernietigt. De Hoge Raad gaat in op wetsgeschiedenis van Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm als gevolg waarvan art. 13a.2 Wahv is ingevoerd en herhaalt relevante overwegingen t.a.v. werkingssfeer van Whpkv uit ECLI:NL:HR:2025:46 (belastingkamer), waarin is beslist over de vergelijkbare regeling in de Wet WOZ en Wet bpm. Gelet op de afbakening van de werkingssfeer van art. 13a.2 Wahv kan niet worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het doel van het wetsvoorstel te bereiken. De doelstelling van de regeling moet tevens voor toepassing van genoemde verdragsbepalingen als legitiem worden aangemerkt. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
Terug naar kennisbankDATUM:
24 juni 2025
ECLI:
ECLI:NL:HR:2025:985
ZAAKNUMMER:
25/00406
INSTANTIE:
Hoge Raad
