Doorzendverplichting bij reactie op uitspraak op bezwaar
Op 5 januari 2007 zijn de aanslagen gehandhaafd in de uitspraak. Naar aanleiding van de uitspraak heeft belanghebbende de inspecteur op 10 januari 2007 een brief gestuurd, waarin hij aangeeft dat hij eventueel een afspraak wil maken om een en ander te bepraten maar dat het standpunt van belanghebbende in deze duidelijk mogen zijn.
Volgens de Hoge Raad kan de brief van 10 januari 2007 niet anders worden opgevat dan dat belanghebbende daarmee aan de inspecteur liet blijken dat hij het niet eens was met de uitspraak op bezwaar en dat hij niet van plan was in die uitspraak te berusten.
De Hoge Raad oordeelt dat het stelsel van de wet mee brengt dat een belastingplichtige, nadat de inspecteur uitspraak op een bezwaarschrift heeft gedaan, zijn bezwaren verder slechts door middel van beroep kan doen gelden. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de inspecteur bereid was van zijn uitspraak op bezwaar terug te komen, had hij daarom de brief van 10 januari 2007 op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de rechtbank, waarna de rechtbank deze brief als beroepschrift in behandeling had dienen te nemen. Het verzuim van de inspecteur om aldus te handelen, mag niet ten nadele van belanghebbende strekken. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb heeft daarom het tijdstip van indiening van de brief bij de inspecteur te gelden als het tijdstip waarop dit - als beroepschrift aan te merken - geschrift bij de rechtbank is ingediend.
DATUM:
14 augustus 2009
ECLI:
ECLI:NL:HR:2009:BJ5114
ZAAKNUMMER:
07/12802
INSTANTIE:
Hoge Raad
