Aan een schriftelijke ingebrekestelling ter activering van de dwangsom te stellen eisen
Voor het hof was in geschil of de inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom heeft verbeurd. Het hof heeft overwogen dat, wanneer de twee aan de inspecteur gezonden brieven worden bezien in samenhang met latere uitlatingen van de gemachtigde, de inspecteur redelijkerwijs moet hebben begrepen dat belanghebbende beoogde hem in gebreke te stellen.
De Hoge Raad overweegt dat voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb de eis geldt dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682 en CRvB 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2682).
Het oordeel van het hof houdt kennelijk in dat deze elementen van de ingebrekestelling kunnen zijn vervat in verschillende geschriften, waarbij van een ingebrekestelling sprake is – en de ingebrekestelling ‘perfect’ wordt – met het geschrift waarin het laatste ontbrekende element is opgenomen. Aldus berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dan dient het daartoe strekkende geschrift op zichzelf beschouwd voldoende duidelijk te zijn in die zin dat het alle constitutieve elementen bevat.
DATUM:
10 juni 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:1124
ZAAKNUMMER:
15/04352
INSTANTIE:
Hoge Raad
