Geen sprake van niet tijdig beslissen
Belanghebbende heeft op 30 juni 2006 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 gedaan. Indien deze aangifte zou worden gevolgd, zou belanghebbende na verrekening van voorheffingen een aanslag krijgen die resulteert in een uit te betalen bedrag. Bij brief van 7 december 2007 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt wegens het uitblijven van een aanslag naar aanleiding van die aangifte. Met dagtekening 4 april 2008 is een aanslag opgelegd. Belanghebbende stelt dat binnen een jaar na de aangifte een aanslag had moeten worden opgelegd.
De Hoge Raad vat de uitspraak van de inspecteur zo op dat deze het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet tijdig beslissen. Artikel 6:2, aanhef en letter b, van de Awb ziet, gelet op de wetsgeschiedenis, niet alleen op beschikkingen op aanvraag, maar ook op ambtshalve door het bestuursorgaan te nemen besluiten, en dus mogelijk ook op belastingaanslagen. Omdat echter de wetgever in artikel 11, lid 3, van de AWR een termijn heeft bepaald waarbinnen een besluit moet worden genomen, is pas van niet tijdig beslissen sprake indien die wettelijke termijn is verstreken. Dat is hier niet het geval, dus heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat een beleidsregel van de inspecteur een kortere termijn voorschrijft, is hierbij niet van belang.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
DATUM:
24 juni 2011
ECLI:
ECLI:NL:HR:2011:BP8929
ZAAKNUMMER:
10/01763
INSTANTIE:
Hoge Raad
