Schending van het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel onvoldoende gemotiveerd
Belanghebbendes aanslag IB/PVV is na bezwaar is gehandhaafd. De Rechtbank Breda heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd. In hoger beroep heeft het Hof Den Bosch deze uitspraak bevestigd, waarna de inspecteur cassatie heeft ingesteld. Belanghebbende en zijn broer hebben in hun aangifte hetzelfde standpunt ingenomen en ressorteerden onder dezelfde inspecteur. De aanslag van belanghebbendes broer is overeenkomstig de aangifte opgelegd. Nadien heeft een andere medewerker van hetzelfde kantoor van de belastingdienst vragen gesteld over de aangifte van belanghebbende. Deze medewerker was het niet eens met de zienswijze van de medewerker die de aanslag van belanghebbendes broer heeft vastgesteld en heeft de vrijstelling voor kwijtscheldingswinst bij belanghebbende niet geaccepteerd.
De Hoge Raad concludeert dat het hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ervan mocht uitgaan dat hij dezelfde behandeling zou krijgen als zijn broer, zodat belanghebbende ook recht heeft op toepassing van de vrijstelling. Voor zover het hof met zijn oordeel toepassing heeft willen geven aan het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. Voor de toepassing van dit beginsel is nodig dat in het geval waarmee wordt vergeleken sprake is van een oogmerk van begunstiging. De omstandigheid dat een onjuist gebleken standpunt weloverwogen en op verdedigbare gronden is ingenomen en tot een begunstiging leidt van degene jegens wie die beslissing is genomen, brengt nog niet een zodanig oogmerk van begunstiging met zich. Indien het hof dit heeft miskend, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, is zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Uit de omstandigheid dat de inspecteur jegens belanghebbendes broer "na gezette overweging een verantwoorde beslissing heeft genomen", volgt immers niet, dat de inspecteur daarbij het oogmerk had de broer te begunstigen.
Voor zover het hof met zijn oordeel toepassing heeft willen geven aan het vertrouwensbeginsel, geldt het volgende. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie. Dat kan onder meer het geval zijn als een belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat de ambtenaar die de aanslag van een medefirmant na onderzoek vaststelde, daarbij optrad als contactinspecteur van de firma. Uit de enkele omstandigheid dat welbewust een verdedigbaar standpunt is ingenomen bij belanghebbendes broer/medefirmant volgt niet, althans niet zonder nadere toelichting, dat belanghebbende redelijkerwijze mocht menen dat datzelfde standpunt ook voor hem had te gelden. Ook in dit opzicht geeft 's hofs oordeel derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst het geding.
DATUM:
04 december 2009
ECLI:
ECLI:NL:HR:2009:BG7213
ZAAKNUMMER:
08/02258
INSTANTIE:
Hoge Raad
