Bewijsmaatstaf bij verzending bezwaar- of beroepschrift per post
X heeft digitaal beroep ingesteld tegen de aan hem gerichte uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep bij een uitspraak als bedoeld in art. 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. De stelling van X dat het beroepschrift al eerder, vóór het einde van de beroepstermijn, per post is verzonden, achtte de rechtbank niet bewezen. X stelt dat hij slechts aannemelijk hoeft te maken dat een beroepschrift tijdig ter post is aangeboden. De rechtbank heeft dat standpunt in verzet verworpen. De Hoge Raad overweegt dat, indien de rechtbank een beroepschrift niet heeft ontvangen, de enkele stelling dat het ter post is bezorgd onvoldoende is om aan te nemen dat het beroepschrift is verzonden. Het is in dat geval aan de X om aannemelijk te maken dat en wanneer het geschrift ter post is bezorgd. Voor een strengere bewijsmaatstaf dan de in belastingzaken als regel geldende maatstaf van aannemelijk maken, bestaat hier geen aanleiding.
Terug naar kennisbankDATUM:
11 oktober 2024
ECLI:
ECLI:NL:HR:2024:1423
ZAAKNUMMER:
23/00909
INSTANTIE:
Hoge Raad
