Schending hoorplicht leidt ook zonder terugwijzing tot proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zijn WOZ-beschikking en verzoekt om te worden gehoord. De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het horen achterwege gelaten. De Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat de schending van de hoorplicht een gebrek in de naleving van de vormvoorschriften is, waardoor belanghebbende niet is benadeeld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de heffingsambtenaar bij de verlaging van de waarde van de woning rekening heeft gehouden met de in bezwaar naar voren gebrachte grieven en dat belanghebbende niet heeft gesteld hoe hij door het achterwege blijven van een hoorzitting in zijn belangen is geschaad. Hof Amsterdam oordeelt dat de hoorplicht is geschonden. Omdat belanghebbende in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar het bestuursorgaan, heeft het hof zelf in de zaak voorzien, het hoger beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat geen termen aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft miskend dat belanghebbende door het niet-horen is benadeeld en derhalve de uitspraak op bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb (vgl. HR 18 april 2003, BNB 2003/267). Tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar bestond nog verschil van mening over de van belang zijde feiten en over de waardering daarvan. Belanghebbende heeft verzocht om terugwijzing achterwege te laten, maar dat laat onverlet dat het hof wegens schending van de hoorplicht de uitspraak op bezwaar had moeten vernietigen (met instandhouding van de rechtsgevolgen ervan) en belanghebbende een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.
DATUM:
29 januari 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:114
ZAAKNUMMER:
15/02441
INSTANTIE:
Hoge Raad
