Geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor tariefverschil kosten-vergoeding bezwaarfase
X klaagt er in cassatie over dat de rechtbank niet punt 1 (tarief: € 296) van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb had moeten toepassen, maar punt 2 (tarief: € 597). A-G Koopman meent dat de besluitgever niet in redelijkheid mocht menen dat de belasting- en premiezaken en overige gevallen met oog op de toepassing van onderdeel B2 niet als gelijke gevallen zijn aan te merken (nieuwsservice 2024, week 17, ECLI:NL:PHR:2024:235). Ook de Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een gebrekkige motivering. Aangezien de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de regeling in de bijlage bij het Bpb, onderdeel B2, punt 1, in strijd is met het discriminatieverbod, is het aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat. Als gevolg daarvan moet een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden berekend op basis van het in punt 2 van dat onderdeel vermelde bedrag. Vervolgens klaagt X dat discriminatie plaatsvindt doordat de per 1 juli 2021 doorgevoerde verhoging van de kostenvergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand (B1) niet geldt voor de bezwaarkosten (B2). X voert terecht aan dat een betere primaire besluitvorming pleit voor een verhoging van kostenvergoedingen voor de bezwaarfase. Tegen zo’n verhoging pleit echter dat die zou kunnen leiden tot meer procedures voor de rechter, en daarmee zou afdoen aan de zeefwerking die met de bezwaarprocedure is beoogd. De besluitgever heeft in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om de doorslag te geven aan de zeefwerking.
Terug naar kennisbankDATUM:
12 juli 2024
ECLI:
ECLI:NL:HR:2024:1060
ZAAKNUMMER:
23/03218
INSTANTIE:
Hoge Raad
