Verschoonbaarheid termijnoverschrijding
Voor de rechtbank heeft X als reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij het mikpunt van hangjongeren was en met haar gezin gevlucht is naar een andere gemeente. Zij zat in een soort overlevingsmodus en heeft lang in de Ziektewet gezeten. De Hoge Raad overweegt dat volgens art. 6:11 Awb ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft als niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake als (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Voor zover het omstandigheden betreft die de belanghebbende persoonlijk betreffen, is er geen reden art. 6:11 Awb te beperken tot de gevallen waarin de betrokkene feitelijk niet in staat is geweest het rechtsmiddel tijdig aan te wenden. Of art. 6:11 Awb van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Aan de belanghebbende van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd om dit zelf te doen, kan niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij iemand anders had kunnen verzoeken hem hierin bij te staan of te vertegenwoordigen, of dat hij binnen de termijn kon volstaan met het indienen van een pro-formaberoepschrift. Ook met betrekking tot zulke maatregelen komt het erop aan of zij van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid konden worden gevergd. Verder moet de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat daarvoor een termijn van ten minste 14 dagen moet worden gegund. De ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak geven de Hoge Raad aanleiding nu te bepalen dat deze termijn in beginsel verstrijkt 6 weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet. Dit geldt voor alle zaken en in elk stadium van de behandeling, dus ook in zaken waarin het bestuursorgaan of een bestuursrechter in een eerdere fase van de procedure al een oordeel heeft gegeven over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en tegen dat besluit of die uitspraak een rechtsmiddel is aangewend waarop nog niet is beslist. Dit geldt ook voor andere rechtsmiddelen waarop art. 6:11 Awb van toepassing is. Het verzet dient gegrond te worden verklaard en de rechtbank zal de ontvankelijkheid van de beroepen opnieuw moeten beoordelen.
Terug naar kennisbankDATUM:
05 april 2024
ECLI:
ECLI:NL:HR:2024:515
ZAAKNUMMER:
22/04246
INSTANTIE:
Hoge Raad
