Conclusie A-G, belanghebbende moet zich schamen

X wenst een vergoeding van € 1.500 voor veronderstelde psychische schade omdat hij anderhalf jaar langer dan de redelijke termijn heeft gewacht op de uitslag van zijn tot aan de Hoge Raad doorgeprocedeerde non-zaak. Het materiële procesbelang beloopt 80 cent. Hij wenst dat (ten onrechte) aan hem vergoede invorderingsrente van € 1,20 naar boven wordt afgerond op € 2. Hij wenst dus gemeenschapsgeld te ontvangen omdat hij zeer langdurig, ongegrond, en op kosten van de gemeenschap, in 3 rechterlijke instanties heeft geprocedeerd over een niet aan hem verschuldigd bedrag van 80 cent, dit mede ten koste van de ambtelijke en rechterlijke capaciteit voor rechtszoekenden. Hij moet zich volgens de A-G diep schamen. X stelt dat het voor de beoordeling van de redelijke termijn in aanmerking te nemen procesbelang óók zijn inzet om teruggaaf van griffierecht en vergoeding van psychische schade door termijnoverschrijding te ontvangen omvat. Deze stelling is evident in strijd met HR BNB 2017/83 omdat zij de in die zaak gestelde bagatelgrens volmaakt betekenisloos zou maken. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging aan te sluiten bij de rechtspraak van de feitenrechters vooruitlopend op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, welke wet aansluit bij die rechtspraak van de rechtbanken. Het lijkt de A-G wenselijk dat de Hoge Raad ook (i) de ISV wegens termijnoverschrijding maximeert op het pleitbare financiële belang bij de procedure in gevallen waarin een beroepsgemachtigde optreedt; en (ii) de bagatelgrens aanzienlijk hoger stelt dan € 15. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.