Conclusie A-G, relativiteitsvereiste bij een WOZ-beschikking van een woninghuurder
Het hof heeft overwogen dat het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb aan vermindering of verhoging van de WOZ-waarde in de weg staat, indien de indiener van het bezwaar of beroep geen direct financieel gevolg daarvan ondervindt. In dit geval is niet gebleken dat sprake is van een niet-geliberaliseerde woonruimte of dat X als huurder van de woning anderszins een direct financieel gevolg ondervindt bij een wijziging van de WOZ-waarde. Dit brengt mee dat de rechtsregel van art. 17 Wet WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van X (nieuwsservice 2022, week 45). De A-G is van mening dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op HR BNB 2020/66 moet worden aangenomen dat een persoon die een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking heeft gekregen, belang heeft bij de daarin vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op die aanname kan niet worden geoordeeld dat art. 17 Wet WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van zo’n persoon. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om HR BNB 2020/66 te heroverwegen wat betreft het procesbelang in zaken waar de betrokkene geen belang heeft bij de WOZ-waarde (point d’intérêt, point d’action).
Terug naar kennisbank
DATUM:
22 september 2023
ECLI:
ECLI:NL:PHR:2023:873
ZAAKNUMMER:
22/04590 en 22/04591
INSTANTIE:
Conclusie A-G Pauwels
