Verblijfseis, vergoedingseis

Belanghebbende is een landelijk opererende vereniging met als doel het beleven en het bevorderen van naturisme. Daartoe verwerft zij onder andere terreinen en houdt deze in stand. Leden van belanghebbende betalen jaarlijks contributie. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente, een aanslag in de toeristenbelasting opgelegd voor 2411 overnachtingen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar, beroep en cassatie ingesteld. In geschil is of met betrekking tot de leden van belanghebbende die op het door belanghebbende beheerde terrein hebben overnacht sprake is van "het houden van verblijf met overnachten tegen vergoeding in welke vorm dan ook" in de zin van artikel 2 van de Verordening Toeristenbelasting 1998. Het Hof heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat de leden een lagere contributie zouden betalen indien zij niet op de terreinen konden overnachten. Daaraan verbindt het Hof de conclusie dat door het betalen van contributie op voorhand mede wordt betaald voor de mogelijkheid tot overnachten op het terrein van belanghebbende. In zijn conclusie stelt A-G Groeneveld dat sprake is van "het houden van verblijf tegen vergoeding", indien er een (indirect) verband bestaat tussen verblijf en contributie en tussen contributie en de duur van het verblijf waartoe de leden van belanghebbende gerechtigd zijn. In de onderhavige zaak bestaat volgens hem, evenals in de casus van Hoge Raad 15 juli 1986, BNB 1986/264, een (indirect) verband tussen verblijf en contributie, maar ontbreekt naar zijn mening het vereiste verband tussen de contributie en de duur van het verblijf waartoe de leden van belanghebbende gerechtigd zijn. Om die reden kan de uitspraak van het Hof naar zijn mening niet in stand blijven. De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting dat geen sprake is van "het tegen vergoeding houden van verblijf met overnachten" in de zin van artikel 2 van de Verordening, indien de verschuldigdheid van de vergoeding (of de hoogte daarvan) niet afhankelijk is van (de duur van) het daadwerkelijk houden van verblijf met overnachten, onjuist is. Uitgaande van het in cassatie niet bestreden oordeel van het Hof dat alle leden door het betalen van contributie op voorhand mede een vergoeding betalen voor de mogelijkheid tot overnachten op een terrein van belanghebbende, heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat het belastbare feit als bedoeld in artikel 2 van de Verordening zich heeft voorgedaan.  

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.