Rechtvaardiging voor ongelijke behandeling
In de Verordening toeristenbelasting van de gemeente X wordt degene die tegen vergoeding gelegenheid tot het houden van verblijf biedt in de heffing betrokken. Iemand die verblijf houdt, zonder dat een belastingplichtige kan worden aangewezen die hem gelegenheid daartoe biedt, wordt niet in de heffing van toeristenbelasting betrokken. Het Gerechtshof Amsterdam constateert dat de beperking van de belastingplicht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat de gemeente niet heeft bewezen dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de bedoelde beperking van de belastingplicht. De eisen van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van de heffing zouden een rechtvaardiging kunnen opleveren. Het is echter niet aanvaardbaar dat in omvang relatief grote groepen personen buiten de heffing worden gelaten om aan de eisen van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid te voldoen. Belanghebbende wordt in het gelijk gesteld.
De Hoge Raad is van mening dat de onmiskenbaar verbonden voordelen met betrekking tot de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van de heffing van het belasten van degenen die gelegenheid tot verblijf bieden boven het in de heffing betrekken van de personen die verblijf houden, een objectieve en redelijke rechtvaardiging daarvoor vormen. De Hoge Raad vindt hiervoor steun in de wetsgeschiedenis van artikel 276 gemeentewet (thans: artikel 224 Gemeentewet). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan het wetsartikel de gedachte ten grondslag lag zoveel toeristen als mogelijk in de heffing van toeristenbelasting te betrekken. De wetgever is zich er echter van bewust geweest dat de praktische mogelijkheden tot het heffen van toeristenbelasting ter zake van dagtoerisme beperkt zouden kunnen blijken te zijn. De eisen van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid rechtvaardigen het dat een gemeente slechts belasting heft van hen die gelegenheid tot verblijf bieden, ook al heeft dat tot gevolg dat in omvang relatief grote groepen buiten de heffing blijven. De gemeente wordt in het gelijk gesteld.
DATUM:
14 februari 2001
ECLI:
ECLI:NL:HR:2001:AA9984
ZAAKNUMMER:
35 691
INSTANTIE:
Hoge Raad
