Verhuur sloepen is vermakelijkheid
Belanghebbende stelt dat zij niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt, aangezien de door haar uitgeoefende activiteiten geen ‘vermakelijkheid’ zijn. Belanghebbende vaart geen passagiers rond in de Amsterdamse wateren. Zij stelt alleen de boten ter beschikking aan de huurders, waarna de huurders zelf verantwoordelijk zijn voor hun (vaar)gedrag en zelf bepalen welke route zij zullen varen, waarbij zij er voor kunnen kiezen om ook buiten de Amsterdamse wateren te varen. Er is dus geen georganiseerde vaartocht volgens belanghebbende. Belanghebbende vergelijkt haar dienstverlening met die van een autoverhuurbedrijf.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ruime definitie van het begrip ‘vermakelijkheid’ in de Verordening: “een activiteit waarbij wordt of mede wordt beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen of waarbij het publiek dit amusement, deze verstrooiing, deze ontspanning of dit vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden” het verblijf aan boord van een (al dan niet varend) schip op binnen de gemeente gelegen water op zich reeds een vermakelijkheid vormt in de zin van de Verordening. Dat de huurders zelf hun vaarroute mogen bepalen en ervoor kunnen kiezen om deels ook buiten Amsterdamse wateren te varen, doet daar niet aan af. Gelet op het startpunt (en eindpunt) hebben die huurders immers mede op binnen de gemeente gelegen wateren gevaren, waarmee het belastbare feit zich heeft voorgedaan, het tegen betaling bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen. Dit belastbare feit doet zich bij belanghebbende zowel bij de verhuur van sloepen aan particulieren als aan organisaties/bedrijven voor. Dat de sloepen onbemand, zonder schipper, worden verhuurd en dat de bedrijfsuitoefening van belanghebbende niet kan worden gekwalificeerd als ‘rondvaart’ in de zin van de Verordening doet daaraan niet af. Uit de bepalingen van de Verordening volgt dat deze niet uitsluitend betrekking heeft op rondvaartbedrijven, maar ook op andere wijzen van bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid te water.
(Gerechtshof Amsterdam 3 oktober 2017, nrs. 16/00589 en 16/00590, ECLI:NL:GHAMS:2017:4033)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van art. 81 RO.
DATUM:
20 april 2018
ECLI:
ECLI:NL:HR:2018:629
ZAAKNUMMER:
17/05345
INSTANTIE:
Hoge Raad
