Kostentoerekening vermakelijkhedenretributie
Belanghebbende exploiteert in Amsterdam een rondvaartbedrijf. Zij heeft op aangifte een bedrag aan vermakelijkhedenretributie voldaan. Tegen dit bedrag heeft zij bezwaar en beroep aangetekend. Het Hof heeft geoordeeld dat de gemeenteraad van Amsterdam bij het instellen van de vermakelijkhedenretributie vooral het oog heeft gehad op de kosten van onderhoud van en kapitaallasten van bruggen en walmuren, kosten van diep- en schoonhouden van grachten en sluizen, van onderhoud van sluizen en waterkeringen, van kwaliteitsbeheer van oppervlaktewater en van personeel voor speciaal toezicht. Verder heeft het Hof aannemelijk geacht dat in het kader van vermakelijkheden te water, en vooral door rondvaartboten, de Amsterdamse grachten zodanig intensief worden gebruikt, dat daardoor aanmerkelijke kosten worden opgeroepen voor met name baggeren en onderhoud van walmuren, en dat daardoor de genoemde kosten hoger zijn dan het geval zou zijn geweest indien geen rondvaarten zouden worden gehouden. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat de onderhavige retributie voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld aan een vermakelijkhedenretributie (Hof Amsterdam van 7 september 2001, nr. 00/2406-M-4 (Belastingblad 2002, blz. 189). Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende cassatie ingesteld. De Hoge Raad wijst in zijn overwegingen op de memorie van toelichting bij de wet van 27 april 1994, Stb. 419 (Herziening materiële belastingbepalingen Gemeentewet), in welke wet is bepaald dat de norm dat ten hoogste 100 percent lastendekking mag plaatsvinden, niet van toepassing is op de vermakelijkhedenretributie. De Hoge Raad concludeert op grond van deze toelichting dat de wetgever aan de in art. 229, lid 1, aanhef en letter c, bedoelde heffing slechts in zoverre het karakter van retributie heeft willen toekennen dat aan de heffing ten grondslag dient te liggen dat een vermakelijkheid profiteert van een door of vanwege het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorziening, welke voor de gemeente lasten meebrengt. Aan de voorwaarden om een vermakelijkhedenretributie te mogen heffen, is derhalve voldaan indien de gemeente aantoont dat zij lasten heeft ter zake van een voorziening als hiervoor bedoeld. Daarbij behoeft de gemeente niet aan te geven welk bedrag van de met die voorziening gemoeide lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. De Hoge Raad oordeelt dat de desbetreffende voorzieningen ook van algemene aard kunnen zijn. Dit zou anders zijn, indien de gemeente met de vermakelijkhedenretributie uitsluitend of mede het oog zou hebben gehad op dekking van lasten van voorzieningen waarvan de in de heffing betrokken vermakelijkheden geen profijt hebben. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. De Hoge Raad oordeelt tevens dat er geen sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing en dat het Hof zich in dit verband kon beperken tot een vergelijking van de hoogte van de retributie met het profijt dat de retributieplichtigen van de desbetreffende voorzieningen ondervinden. Het beroep is ongegrond.
Terug naar kennisbankDATUM:
24 januari 2003
ECLI:
ECLI:NL:HR:2003:AF3283
ZAAKNUMMER:
37 789
INSTANTIE:
Hoge Raad
