Kostentoedeling en instelling omslagklassen

Belanghebbende heeft 4 aanslagen omslag ongebouwd ontvangen van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: HHNK). Het Gerechtshof Amsterdam heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
De waarde (per hectare) van ongebouwde gronden in Q ligt meer dan 50% lager dan de gemiddelde waarde (per hectare) van alle ongebouwde gronden binnen het taakgebied van HHNK. Belanghebbende is van mening dat, nu HHNK voor de kostentoedeling heeft gekozen voor de methode-Delfland (die de waarde van de onroerende zaken kiest als toedelingsmaat-staf), HHNK ook omslagklassen had moeten instellen naar de maatstaf van waardeverschillen, en dus niet, zoals HHNK heeft gedaan, naar de maatstaf van verschillen in kostenveroorzaking (methode-Oldambt).
De Hoge Raad oordeelt dat zowel bij de toedeling van kosten als bij de instelling van omslag-klassen een waterschap zich mede mag laten leiden door overwegingen van doelmatigheid. Doelmatigheidsoverwegingen kunnen in de ene respectievelijk de andere context in verschil-lende richting wijzen. De Waterschapswet verzet zich er niet tegen dat in dat geval het belang-criterium op verschillende wijze wordt ingevuld. Daarnaast is de Hoge Raad van mening dat het feit dat overwegingen van doelmatigheid in de context van artikel 119 van de Waterschapswet hebben geleid tot een andere methodiek dan in de context van artikel 120 van de Waterschapswet, niet op zichzelf met zich meebrengen dat de resulterende heffing strijdt met het willekeurverbod. Tenslotte verwerpt de Hoge Raad het betoog van belanghebbende dat het verschil tussen de waarde van gronden in Q en de gemiddelde waarde van gronden binnen het taakgebied van HHNK, een verschil is in hoedanigheid of ligging, als bedoeld in artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet. Dit is namelijk in strijd met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over de betekenis van de term “verschillen in hoedanigheid of ligging” (laatstelijk HR 3 maart 2006, nr. 39 811, BNB 2006/178). Het hof heeft, ondanks het verzoek van de gemachtigde om de behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, geweigerd om uitstel van de zitting te verlenen en heeft belanghebbende verder geen mogelijkheden geboden informatie en standpunten in te brengen. De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof een dergelijk verzoek moet inwilligen, tenzij het oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in de uitspraak van het gerechtshof met redenen te worden omkleed (HR 31 januari 2001, nr. 35 914, BNB 2001/132), hetgeen niet is geschied.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.