Beroep tegen afwijzing Wob-verzoek i.v.m. fiscale geheimhoudingsplicht bij burgerlijke rechter
Belanghebbende heeft bij de Belastingdienst een Wob-verzoek ingediend. Het tegen de afwijzing van het informatieverzoek gerichte bezwaar is door de staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard. De afwijzing is gebaseerd op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR en, voor zover het informatieverzoek betrekking had op stukken die niet tot het fiscale dossier behoren, op de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, letter c, van de Wob. Het hof heeft geoordeeld dat de belastingkamer van de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard. Het heeft daartoe overwogen dat het sinds de uitspraak van de Raad van State van 14 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM1041), vaste jurisprudentie is dat artikel 67 van de AWR een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is. Die regeling prevaleert boven de Wob, zodat de bestuursrechter niet bevoegd is. Voorts heeft het hof overwogen dat inzake de afwijzing door de staatssecretaris van een informatieverzoek op grond van artikel 67 van de AWR uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
De Hoge Raad overweegt dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat ingevolge artikel 26 van de AWR geen beroep openstaat bij de belastingrechter tegen een op grond van artikel 67 van de AWR genomen besluit van de staatssecretaris. Gelet op de parlementaire toelichting bij de wijziging van artikel 67 per 1 januari 2008 (Stb. 2007, 376), bevat dit artikel sinds die datum een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 26-27). In verband hiermee is, anders dan de Hoge Raad met betrekking tot de vóór 1 januari 2008 geldende tekst van artikel 67 van de AWR heeft geoordeeld (ECLI:NL:HR:2010:BL6423), de algemene bestuursrechter evenmin bevoegd. Het hof is van een juiste rechtsopvatting uitgegaan bij zijn oordeel dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard en dat uitsluitend een vordering kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter (vgl. ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041).
DATUM:
13 mei 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:830
ZAAKNUMMER:
15/02399
INSTANTIE:
Hoge Raad
