Aannemelijk dat winkel profijt zou kunnen hebben
X betoogt dat de aanslag reclamebelasting ten onrechte is opgelegd, omdat zij geen individueel profijt heeft van de activiteiten van het ondernemersfonds in de binnenstad, omdat zij geen lid is van de ondernemersvereniging. Ook voert X aan dat de verordening niet is ondertekend. Het hof oordeelt dat de verordeningen reclamebelasting op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. Dat in de publicaties de ondertekening van de besluiten niet is vermeld, vormt geen bezwaar (vgl. HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6373). De ondertekening mag in beginsel, en ook in dit geval, geacht worden te voldoen aan de daarvoor in de Gemeentewet gestelde voorschriften, zodat de verordeningen rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en in werking zijn getreden. Naar het oordeel van het hof is sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking van de heffing tot het bij de Verordening aangewezen gedeelte van het grondgebied van de gemeente Lochem. De gemeente mocht in redelijkheid ervan uitgaan dat de vestigingen in de binnenstad van haar gemeente in enigerlei mate profijt kunnen hebben van de activiteiten ter bekostiging waarvan de opbrengst van de reclamebelasting is bestemd. Dat de ene vestiging in dat gebied meer profijt van die activiteiten zou kunnen hebben dan de andere, doet aan de rechtsgeldigheid van de heffing niet af. Het Hof acht overigens aannemelijk dat ook de winkel van X in enigerlei mate profijt zou kunnen hebben van de promotionele activiteiten in de binnenstad.
Terug naar kennisbankDATUM:
31 augustus 2021
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2021:8282
ZAAKNUMMER:
20/01006 en 20/01007
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
