Belanghebbende wist dat uitlatingen van de Inspecteur strijdig waren met Verordening
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof te Amsterdam van 27 juni 2002, nr. P01/00422, betreffende de aanslagen reclamebelasting over het jaar 1999 van de Gemeente Amsterdam. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer geoordeeld dat belanghebbende aan de uitlatingen van de Inspecteur niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat reclameobjecten met een feitelijke lengte van circa 3,67 meter niet in de heffing zouden worden betrokken, omdat het belanghebbende duidelijk moet zijn geweest, althans had moeten zijn, dat de Inspecteur een dergelijke vrijstelling niet beoogde. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aldus de Hoge Raad. Het is kennelijk gebaseerd op de omstandigheden (1) dat de vrijstellingsbepaling van artikel 8 van de Reclamebelastingverordening 1999 niet voor toepassing in aanmerking komt en dat – naar belanghebbende in rechte voetstoots heeft erkend – de bestreden aanslagen strookten met deze Verordening (waarin de erkenning ligt besloten dat de “toezegging” van de Inspecteur in strijd met de Verordening was); (2) dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard verrast te zijn geweest door de toezegging van de Inspecteur (waaruit het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft opgemaakt dat belanghebbende reeds ten tijde van de ontvangst van de “toezegging” onderkende dat deze in strijd was met de Verordening); en (3) dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard de toezegging gezien te hebben als een compensatie voor het reeds jaren slepende conflict inzake de aanslagen in de reclamebelasting (een veronderstelling die belanghebbende als onaannemelijk had moeten verwerpen). Beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Terug naar kennisbankDATUM:
12 maart 2004
ECLI:
ECLI:NL:HR:2004:AO5542
ZAAKNUMMER:
38 657
INSTANTIE:
Hoge Raad
