Het woord precariobelasting staat niet op de aanslag
In de Verordening precariobelasting van de gemeente Leeuwarden is bepaald dat onder de naam "precariobelasting" een directe belasting wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Op het aanslagbiljet komt het woord "precariobelasting" niet voor, maar wel het woord "aanslag" en het woord "precario".
Het hof overweegt dat het ontbreken op het aanslagbiljet van het woord "precariobelasting" niet meebrengt dat de vaststelling van de aanslag of de bekendmaking ervan niet in de voorgeschreven vorm is verricht. De aanduiding van de belasting in de Verordening heeft immers geen betrekking op de wijze van heffing. Verder is door belanghebbende niet gesteld dat is gehandeld in strijd met de goede zeden, de openbare orde, of enige dwingende bepaling in een wet in formele zin of een bepaling die op een uitdrukkelijke delegatie door de formele wetgever berust, en ook overigens is daarvan niet gebleken. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de aanslag nietig is. Ter zitting heeft belanghebbende laten weten dat hij zich niet op vernietigbaarheid, maar op nietigheid van de aanslag beroept. Hij heeft echter de aan zijn standpunt ten grondslag liggende feiten niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken. Derhalve moet ook de vraag beantwoord worden of belanghebbende heeft moeten begrijpen dat de aanslag betrekking heeft op de precariobelasting. Gelet op hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld, kon bij belanghebbende redelijkerwijs er geen twijfel over bestaan dat sprake was van precariobelasting, welk oordeel werd bevestigd doordat belang-hebbende in zijn bezwaarschrift heeft verwezen naar het betreffende artikel van de Verordening. Belanghebbendes beroep op de nietigheid van de aanslag faalt, ook voor zover het moet worden begrepen als een beroep op vernietigbaarheid (nieuwsservice 2016, week 27).
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van artikel 81, lid 1, RO.
DATUM:
17 maart 2017
ECLI:
ECLI:NL:HR:2017:452
ZAAKNUMMER:
16/03520
INSTANTIE:
Hoge Raad
