Op de zaak betrekking hebbende stukken en goede procesorde
De rechtbank overweegt dat als voor een belanghebbende pas met de uitspraak op bezwaar duidelijk kan zijn dat in de bezwaarfase art. 40 Wet WOZ of art. 7:4 Awb is geschonden, dan moet dat gelijktijdig met het indienen van de beroepsgronden worden aangevoerd. Een schending van art. 8:42 Awb moet worden aangevoerd binnen een redelijke termijn nadat de rechtbank de stukken aan de belanghebbende heeft doorgestuurd, mits het voor die belanghebbende dan al duidelijk moet zijn dat de stukken waarop hij zich beroept daarbij ontbreken. Het later – bijvoorbeeld pas op de zitting – aanvoeren van deze beroepsgronden is in beginsel in strijd met een goede procesorde en zal om die reden buiten beschouwing worden gelaten. Als een belanghebbende eerder wel, maar op de hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij informatie mist door het niet toesturen van de gevraagde stukken, dan mag in beginsel worden aangenomen dat hij die stukken kennelijk niet (meer) nodig heeft. Hetzelfde geldt voor het geval waarin de belanghebbende vóór de hoorzitting constateert dat bepaalde stukken niet ter inzage liggen, maar hij tijdens de hoorzitting niet wijst op de stukken die hij mist. X heeft op de hoorzitting niet meer gewezen op het ontbreken van bepaalde stukken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hij die stukken kennelijk niet meer nodig vond. Het in beroep opnieuw aanvoeren van dit punt acht de rechtbank in strijd met een goede procesorde.
Terug naar kennisbankDATUM:
05 juli 2021
ECLI:
ECLI:NL:RBMNE:2021:2890
ZAAKNUMMER:
20/3677
INSTANTIE:
Rechtbank Midden-Nederland
