Bouwplaats op gemeentegrond, bestemming niet gewijzigd

Aan belanghebbende zijn aanslagen precariobelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd welke na bezwaar zijn verminderd. De Rechtbank Rotterdam heeft het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslagen vernietigd (nieuwsservice 2010, week 12). Tussen partijen is onder meer in geschil of een gedeelte van de bouwplaats kan worden aangemerkt als voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.
Het hof heeft geoordeeld dat de grond voorafgaand aan de ingebruikneming door belanghebbende aan zijn oorspronkelijke bestemming voor de openbare dienst, namelijk park of bos met een publieke bestemming, was onttrokken en dat aan de toekomstige bestemming als openbare weg nog geen feitelijke uitvoering was gegeven.
De Hoge Raad overweegt dat van 'voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond' sprake was toen de onderhavige grond in gebruik was als park en bos met een publieke bestemming. De bestemming die deze grond vervolgens heeft gekregen, te weten de bestemming tot parkeerplaatsen, groenstrook en openbare weg, brengt mee dat zij toen eveneens was bestemd voor de openbare dienst. De omstandigheid dat deze grond na het kappen van de houtopstanden niet meer de functie van park had maar bouwrijp was gemaakt ten behoeve van de aanleg van andere voorzieningen van openbaar nut, betekent niet dat die grond daardoor aan zijn bestemming voor de openbare dienst was onttrokken. Dat wordt niet anders doordat belanghebbende met vergunning van de gemeente een deel van de openbare ruimte tijdelijk als bouwplaats heeft ingericht ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex op het naastgelegen terrein. De uitspraak van het hof kan niet in stand blijven.
Belanghebbende heeft voor het hof gesteld dat de gemeente haar ten tijde van de vergunningsverleningsprocedure op de hoogte had moeten stellen van de op handen zijnde tariefsverhoging. Aan de behandeling van deze stelling is het hof niet toegekomen. Onder omstandig-heden kan een ten tijde van de vergunningverlening voorzienbare kostenverzwaring zodanig zijn dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van 'fair-play' ertoe nopen daarvan melding te maken bij het verlenen van die vergunning (vgl. HR 3 februari 1999, nr. 34131, LJN AA2637, BNB 1999/170). De beoordeling van de vraag of een zodanig geval zich hier voordoet is mede verweven met waarderingen van feitelijke aard. Daartoe dient verwijzing plaats te vinden.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst het geding.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.