Heffing is niet in strijd met enige bepaling van internationaal recht
Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam niet bevoegd is precariobelasting te heffen voor zijn woonboot, omdat de grond waarboven de woonboot en de steiger zich bevinden niet “voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond” is.
Naar het oordeel van Hof Amsterdam is de gemeentegrond waarboven de woonboot is afgemeerd (een openbaar water dat bij de gemeente in beheer is) voor de openbare dienst bestemd, omdat de grond tot algemeen nut strekt waarbij iedereen belang kan hebben. Daaraan doet niet af dat de woonboot en de steiger bij belanghebbende persoonlijk in gebruik zijn.
Belanghebbende heeft verder gesteld dat het onredelijk is dat de aanslag met terugwerkende kracht is opgelegd. Hij voert daarbij aan dat uit de artikelen 1, 2 en 25 van de Universele verklaring van de rechten van de mens (hierna: UVRM) voortvloeit dat de gemeente de situatie waarin hij verkeerde vóór de verkrijging van de eigendom van de grond door de gemeente, dient te respecteren. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de aanslag is opgelegd binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn en dat de innerlijke waarde of de billijkheid niet door de rechter mag worden beoordeeld. Heffing van deze belasting is voorts niet in strijd met enige bepaling van internationaal recht. In het bijzonder is het hof van oordeel dat uit de genoemde artikelen van de UVRM niet kan worden afgeleid dat het stadsdeel na verkrijging van de eigendom van de grond niet van zijn bevoegdheid tot heffing van precariobelasting gebruik zou mogen maken. Zulks nog daargelaten dat de UVRM zich richt tot de staten die deze hebben ondertekend en niet kan worden aangemerkt als een regeling met rechtstreekse werking, waardoor de burger er rechtstreeks een beroep op kan doen (nieuwsservice 2014, week 19). De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 80a RO.
DATUM:
07 november 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:3137
ZAAKNUMMER:
14/03076
INSTANTIE:
Hoge Raad
