Hoger belasten van woningen buiten recreatieterrein is niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Uit de Verordening forensenbelasting van de gemeente Ommen volgt dat woningen die onderdeel uitmaken van een Wet WOZ-recreatieterrein minder belasting betalen dan woningen die daar geen onderdeel van uitmaken. Het hof oordeelde dat beide typen woningen vergelijkbaar zijn en dat het op verschillende wijze belasten van die woningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (nieuwsservice 2020, week 9, en zie ook week 52). De Hoge Raad overweegt dat de gemeentelijke wetgever bij de invoering van het onderscheid tussen woningen die wel en woningen die niet onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel, is uitgegaan van de ervaringsregel dat woningen op een recreatiesamenstel een aanmerkelijk lagere waarde hebben dan € 60.000. De redelijkheid van dit uitgangspunt is door X met geen ander argument bestreden dan dat hem gevallen bekend zijn van op een recreatiesamenstel gelegen woningen die een hogere waarde hebben. Dit kan niet de gevolgtrekking dragen dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid niet van haar ervaringsregel mocht uitgaan. De redelijkheid van zo’n uitgangspunt valt of staat namelijk niet bij wat achteraf komt vast te staan over de volledige feitelijke juistheid ervan. In de ervaringsregel kan steun worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. Hierin komt namelijk tot uitdrukking dat woningen op een recreatiesamenstel en andere woningen feitelijk niet gelijk zijn. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.