Heffing ter zake van elektriciteitsnetwerken

In geschil zijn de aan belanghebbende voor de jaren 2000, 2001 en 2002 opgelegde aanslagen precariobelasting van de gemeente Ter Aar. In eerste aanleg heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende beheert het onder, op en boven de grond van de gemeente aanwezige leidingnetwerk, dat wordt gebruikt voor de levering van gas en elektriciteit aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de gemeente. Belanghebbende voert aan dat de verordening onverbindend is, wegens strijd met de artikelen 83 van de Elektriciteitswet, 62 van de Gaswet en 121 van de Gemeentewet, omdat deze artikelen bepalen dat de gemeenteraad niet bevoegd is het transporteren en leveren van elektriciteit en gas in het belang van de energievoorziening aan regels te binden.
Volgens de Hoge Raad kan dit niet tot cassatie leiden, nu de heffing van precariobelasting ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond niet is een "aan regels binden" van het transport en de levering van energie in de zin van deze artikelen. Hij voegt daaraan toe dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Elektriciteitswet volgt dat ook de wetgever ervan is uitgegaan dat die wet de heffing van precariobelasting ter zake van elektriciteitsnetwerken toelaat. Belanghebbende heeft eveneens betoogd dat de gemeente niet bevoegd is om de aanwezigheid van het betrokken leidingnet-werk te verbieden. De Hoge Raad merkt daaromtrent op dat precariobelasting kan worden geheven, indien de gemeente de aanwezigheid van voorwerpen veroorlooft of toestaat. Van zo'n veroorloven of toestaan is geen sprake indien de gemeente rechtens (uit hoofde van de wet, een rechtshandeling of anderszins) de bevoegdheid mist om als eigenaar van de grond tegen die aanwezigheid op te treden (vgl. HR 14 september 2007, nr. 41 467, BNB 2007/290). Wat betreft belanghebbendes beroep op de Belemmeringenwet privaatrecht, dient te worden opgemerkt dat het bepaalde in die wet slechts aan een bevoegdheid in de weg staat, indien de minister van Verkeer en Waterstaat met toepassing van deze wet een beslissing heeft genomen waarmee aan de gemeente de bevoegdheid is ontnomen zich als eigenaar van de grond tegen de aanwezigheid van de desbetreffende voorwerpen te verzetten. Van zo'n beslissing is in het onderhavige geval volgens de Hoge Raad geen sprake. Het beroep van belanghebbende dat artikel 49 van het EG-Verdrag de gemeente de bevoegdheid ontneemt tegen de aanwezigheid van het leidingnetwerk op te treden, faalt volgens de Hoge Raad eveneens, omdat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om zijn stelling te onderbouwen dat sprake is van een (grensoverschrijdende) situatie die valt binnen het toepassingsbereik van artikel 49 van het Verdrag. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

 

Zie in dezelfde zin en van dezelfde datum nr. 43 280, ECLI:NL:HR:2009:BG5924 en nr. 43 195, ECLI:NL:HR:2009:BG5920.


 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.