Uit publiekrechtelijk toestemming volgt geen gedoogplicht terzake gasnetwerk
Het hof is ervan uitgegaan dat belanghebbende, de exploitant van een gas- en elektriciteitsnetwerk in de gemeente Naarden een beroep kan doen op hetgeen in 1999 bij de Infrastructuurovereenkomst is overeengekomen, omdat belanghebbende behoort tot de in die overeen-komst genoemde vennootschappen binnen de [E]-groep. In deze overeenkomst is opgenomen dat N.V. [F], de exploitant van het gasnetwerk, gerechtigd is de overeenkomst aan een andere vennootschap binnen de [E]-groep over te dragen.
De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbende de rechtsopvolger is van N.V. [F] en dat N.V. [F] de aan de Infrastructuurovereenkomst te ontlenen rechten aan belanghebbende heeft overgedragen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is het oordeel van het hof dat belanghebbende zich op de inhoud van deze overeenkomst kan beroepen niet begrijpelijk. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.
Mocht in het geding na verwijzing het bepaalde in de Infrastructuurovereenkomst een rol spelen, dan wijst de Hoge Raad op het volgende. In de overeenkomst is bepaald dat de gemeente toestemming verleent voor het gebruik maken van gemeentelijke eigendommen dan wel van eigendommen van derden die een openbare bestemming hebben, voor zover de gemeente daarvoor op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning kan verlenen. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat toestemming voor dit gebruik wordt verleend krachtens de in die bepaling genoemde publiekrechtelijke bevoegdheid van de gemeente ten aanzien van die voor de openbare dienst bestemde eigendommen. Een uit een zodanig gebruik van haar publiekrechtelijke bevoegdheden voortvloeiende plicht van de gemeente om de gas- en/of elektriciteitsleidingen in gemeentegrond toe te staan, brengt niet een gedoogplicht mee die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat (vgl. HR 21 januari 1987, BNB 1987/104, en HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF7810). Van een contractuele gedoogplicht die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat, is slechts sprake indien een gemeente op grond van een overeenkomst als eigenaar van de grond moet gedogen dat de wederpartij voorwerpen op, onder of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
DATUM:
24 juni 2016
ECLI:
ECLI:NL:HR:2016:1267
ZAAKNUMMER:
15/04492
INSTANTIE:
Hoge Raad
