Rechtsgeldigheid van planologische grondslag vergunning blijft buiten behandeling in legesgeschil
X stelt dat de beheersverordening is vastgesteld in strijd met art. 3.38 Wro, artt. 7.2, 7.2a en 7.13 Wet milieubeheer en met art. 19j Natuurbeschermingswet 1998. X verbindt hieraan de conclusie dat het aan de beheersverordening voorafgaande bestemmingsplan vigerend is en de heffingsambtenaar daarom op grond van art. 3.1 lid 4 Wro (de legessanctie) geen leges mocht heffen. Het hof stelt voorop dat het beroep niet is gericht tegen de verleende omgevingsvergunning, maar tegen de legesheffing voor het in behandeling nemen van de aanvraag van X. Dit brengt mee dat de gronden die de rechtsgeldigheid betreffen van de planologische grondslag voor de verleende omgevingsvergunning buiten behandeling blijven. De belastingrechter toetst bij de beoordeling of de legessanctie aan de orde is, uitsluitend of op het moment waarop het belastbare feit zich voordoet, de gemeenteraad een planologische regeling heeft vastgesteld, voor welke regeling de in artikel 3.1 lid 4 Wro genoemde termijn van tien jaar is verstreken.
Terug naar kennisbankDATUM:
26 januari 2021
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2021:758
ZAAKNUMMER:
19/01320
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
