Hoger belasten van woningen buiten recreatieterrein is in strijd met gelijkheidsbeginsel
Uit de Verordening forensenbelasting van de gemeente Ommen volgt dat woningen die onderdeel uitmaken van een Wet WOZ-recreatieterrein minder belasting betalen dan woningen die daar geen onderdeel van uitmaken. Het hof oordeelde dat beide woningen vergelijkbaar zijn en dat het op verschillende wijze belasten van die woningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (nieuwsservice 2020, week 9). Volgens de A-G heeft het hof terecht geoordeeld dat er sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. B&W hebben gesteld dat er een redelijke grond is om het onderscheid te maken, vanwege efficiencyredenen en omdat gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel veelal een geringe waarde hebben. De A-G merkt daarentegen op dat de efficiencyregeling van de Verordening afwijkt van de afbakeningsregels van art. 16 Wet WOZ en het daaraan ten grondslag liggende praktische motief. De Verordening ziet gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel alsnog als individuele objecten voor de forensenbelasting, maar past vervolgens een laag, vast tarief toe op deze woningen. Evenmin ziet de A-G in waarom de veronderstelde geringe waarde een rechtvaardigingsgrond zou kunnen vormen. Dergelijke objecten zijn er immers ook buiten een recreatieterrein.
Terug naar kennisbankDATUM:
30 november 2020
ECLI:
ECLI:NL:PHR:2020:1142
ZAAKNUMMER:
20/00972
INSTANTIE:
Conclusie A-G IJzerman
