Afwijzing verzoek om uitreiking factuur voor omzetbelasting is geen bijkomende beslissing
De heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarin tevens verzocht aan hem een factuur uit te reiken waarop behalve de parkeervergoeding een te betalen bedrag aan omzetbelasting wordt vermeld. Voor het hof was in geschil of de heffingsambtenaar gehouden is om een dergelijke uitgesplitste factuur uit te reiken.
Het hof heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener bij dat rechtsmiddel geen belang heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen. Het verzoek om uitreiking van een factuur voor de omzetbelasting als bedoeld in de Wet OB 1968 niet kan worden aangemerkt als een verzoek om een bijkomende rechterlijke beslissing, omdat belanghebbende bij dat verzoek een buiten de naheffingsaanslag gelegen belang pretendeert (nieuwsservice 2017, week 32).
Volgens de Hoge Raad slaagt de klacht van belanghebbende voor zover zij inhoudt dat het hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, maar faalt de klacht voor zover deze ertoe strekt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een factuur had moeten uitreiken op de wijze die is voorgeschreven in de artikelen 34c en volgende van de Wet OB 1968.
DATUM:
23 maart 2018
ECLI:
ECLI:NL:HR:2018:412
ZAAKNUMMER:
17/0385
INSTANTIE:
Hoge Raad
