Aanslagen tijdig opgelegd
Belanghebbende is eigenaar van een verhuurd bedrijfspand. De gemeenteraad van Nijmegen heeft besloten de OZB voor gebruikers van niet-woningen af te schaffen en de OZB voor eigenaren van niet-woningen te verhogen. Belanghebbende heeft voor 3 jaren afzonderlijke beschikkingen ontvangen met de WOZ-waarde en aanslagen OZB en rioolheffing. In geschil is onder andere of 2 aanslagen te laat zijn opgelegd.
Het hof oordeelt dat art. 11 AWR de uiterste termijn voor het opleggen van de aanslagen bepaalt en niet art. 24 Wet WOZ, zoals belanghebbende betoogt. Dat de WOZ-beschikkingen waarop de aanslagen mede zijn gebaseerd, niet zijn vastgesteld binnen de in art. 24 lid 1 Wet WOZ opgenomen termijn, doet hieraan niet af. Niet alleen omdat de uiterste termijn voor het opleggen van de aanslagen losstaat van de termijn voor het vaststellen van WOZ-beschikkingen, maar ook vanwege art. 24 lid 2 Wet WOZ waarin is bepaald dat termijnoverschrijding geen nietigheid van de WOZ-beschikking meebrengt. Dat de heffingsambtenaar zijn bevoegdheden zou hebben misbruikt door de aanslagen opzettelijk op een laat tijdstip op te leggen om daarmee tijd te scheppen voor de beoogde wijziging van het belastingstelsel ontbeert volgens het hof feitelijke grondslag. Dat de belastingverhoging niet voorzienbaar was en in strijd is met art. 1 EVRM is volgens het hof onjuist, aangezien het geldende tarief telkens voor aanvang van het kalenderjaar is vastgesteld en bekendgemaakt.
DATUM:
20 november 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2018:9978
ZAAKNUMMER:
18/00197 t/m 18/00199
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
