Parkeertijd met enkele minuten overschreden

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens overschrijding van de parkeertijd met drie tot vijf minuten. Het Hof heeft de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag vernietigd, omdat niet aannemelijk zou zijn gemaakt dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Volgens het Hof valt niet uit te sluiten dat een overschrijding van de op het parkeerbiljet vermelde parkeertijd met minder dan vijf minuten, te wijten is aan geringe afwijkingen in de tijdregistratie in de centrale parkeermeter, de tijdklok van de controleur en de horloges van de parkeerder en de controleur.
In zijn conclusie stelt A-G Ilsink dat de door het Hof gekozen weg tot niet te hanteren uitvoeringsproblemen leidt en dus fnuikend is voor een adequate handhaving van het gemeentelijke parkeerbeleid. Hij stelt echter tevens dat dat in de onderhavige procedure niet tot cassatie kan leiden, omdat een op de Verordening parkeerbelastingen 1999 gestoeld “Besluit plaatsen en werkingsduur betaald parkeren” ontbreekt. Het vorige besluit behoorde bij de Verordening parkeerbelastingen 1998, maar die is in de Verordening parkeerbelastingen 1999 ingetrokken. Mitsdien kwam volgens de A-G ook het “Besluit plaatsen en werkingsduur betaald parkeren 1998” van rechtswege te vervallen.
De Hoge Raad gaat voorbij aan de conclusie van de A-G. Volgens de Hoge Raad completeert een besluit tot aanwijzing van de plaatsen waar slechts tegen betaling mag worden geparkeerd een parkeerverordening, en gaat de vaststelling van een nieuwe parkeerverordening niet noodzakelijkerwijs gepaard met een wijziging in de aanwijzing van zulke plaatsen, zodat voldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat beoogd is gebruik te maken van de bevoegdheid om in de nieuwe verordening te bepalen dat het “Besluit plaatsen en werkingsduur betaald parkeren” voortaan geacht wordt te berusten op de nieuwe verordening.
De Hoge Raad oordeelt tevens dat bij de beoordeling of de tijd waarvoor parkeerbelasting is betaald is overschreden, er geen redenen aanwezig zijn om een marge van vijf minuten ter zake van mogelijke afwijkingen in de meetapparatuur in aanmerking te nemen. Bovendien heeft belanghebbende in zijn beroepschrift aan het Hof erkend dat de “naheffingsaanslag 3 à 5 minuten na de beëindiging van de parkeertijd is opgelegd”. Er bestaat daarover derhalve geen geschil, zodat het Hof, door daarvoor desondanks bewijs te verlangen, buiten de rechtsstrijd is getreden. Nu tevens niet in geschil is dat de auto van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag stond geparkeerd op een in het aanwijzingsbesluit aangewezen plaats en tijdstip, is terecht parkeerbelasting nageheven. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en bevestigt de uitspraak op het bezwaarschrift.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.