Recreatieterrein en loods met units zijn vergelijkbare gevallen

Belanghebbende is eigenaar van een loods die met verplaatsbare scheidingswanden onder te verdelen is in maximaal 10 units. Iedere unit heeft een (indirecte) aansluiting op de gemeente-lijke riolering. De loods was verdeeld in 8 units (2 naast elkaar gelegen, leegstaande units zijn gezamenlijk aangemerkt als 1 onroerende zaak en de overige units zijn elk aangemerkt als een onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland is voor de rioolhef-fing uitgegaan van 7 percelen. In de Verordening is bepaald dat een recreatieterrein voor de rioolheffing wordt aangemerkt als één onroerende zaak. Belanghebbende stelt dat er geen reden is om een bedrijfsverzamelgebouw anders te behandelen dan een recreatieterrein met stacaravans en chalets. Het hof overweegt dat deze ongelijke behandeling voortvloeit uit een belastingverordening. Het onderscheid is weliswaar ontleend aan een wet in formele zin (de Wet WOZ), maar is daarop niet gebaseerd, aangezien de bepalingen van de Wet WOZ niet van betekenis zijn voor de rioolheffing. Daarin onderscheidt deze situatie zich van die in de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:917). Het hof zal daarom de vraag of deze ongelijke behandeling geoorloofd is beantwoorden door de bepaling te toetsen aan artikel 1 van de Grondwet.
Naar het oordeel van het hof verschillen de loods en recreatieterreinen niet op relevante punten van elkaar. In beide gevallen gaat het om samenstellen van onroerende zaken die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen en waarvan de onderdelen bij verschillende gebruikers in gebruik zijn. Dat een recreatieterrein doorgaans een groter perceel is, acht het hof geen relevant verschil en ook geen reden het ter zake van de heffing te bevoordelen. Hieruit volgt dat de bepaling meebrengt dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Vervolgens moet worden bezien of voor deze ongelijke behandeling een toereikende recht-vaardiging bestaat. Daartoe voert de heffingsambtenaar aan dat het efficiënter is om een recreatieterrein voor de rioolheffing als één onroerende zaak aan te merken, omdat dan kan worden volstaan met het voeren van één gezamenlijke objectadministratie. Die omstandigheid voldoet echter niet als rechtvaardiging voor het in zo vergaande mate ongelijk behandelen van gelijke gevallen. De door de heffingsambtenaar genoemde reden van efficiency is niet voldoen-de om een bepaalde categorie belastingplichtigen te bevoordelen, te meer nu dezelfde efficiencywinst behaald kan worden bij belanghebbende. Het hof vernietigt de aanslagen.
De Hoge Raad overweegt dat aan de keuze van de gemeente Steenwijkerland om in de Verordening aan te sluiten bij de afbakeningsregels van de Wet WOZ een praktisch motief ten grondslag ligt, te weten het voeren van een gezamenlijke objectadministratie. Het verbod van discriminatie in art. 1 Grondwet gaat niet zo ver dat de gemeente verplicht is deze bijzondere regel voor recreatieterreinen naar analogie toe te passen in een geval als dat van belangheb-bende, waarmee de praktische aansluiting bij de afbakeningsregels van de Wet WOZ zou worden doorbroken. Het staat de gemeente vrij om (ook) in een geval als het onderhavige toepassing te geven aan de normale regels uit de Verordening over de objectafbakening, waarvan de ruwheid ook bij rioolheffing naar een vast bedrag per perceel geoorloofd is. Hieraan kan niet afdoen dat de eigendoms- en gebruikssituatie van de onroerende zaak van belangheb-bende (de onderhavige loods) in een aantal opzichten kan worden vergeleken met die van een recreatieterrein als bedoeld in de Verordening.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.