Toepassing vertrouwensbeginsel vanwege weloverwogen standpuntbepaling van heffingsambtenaar
De heffingsambtenaar van de gemeente Castricum heeft met dagtekening 15 juli 2014 aan belanghebbende een aanslag rioolheffing opgelegd ten bedrage van € 75,05 ter zake van een strandhuisje dat onderdeel uitmaakt van een complex van meerdere strandhuisjes, welke weer deel uitmaken van een groter geheel, horend bij een strandpaviljoen. Geen van de strandhuis-jes heeft een afzonderlijke watermeter. Zij hebben gezamenlijk met het strandpaviljoen één gezamenlijke watermeter. De strandhuisjes zijn via de riolering van de exploitant aangesloten op de gemeentelijke riolering waarvoor de exploitant jaarlijks een aanslag rioolheffing kreeg opgelegd. De exploitant berekende deze heffing door aan de huisjeseigenaren. Deze eigenaren zijn verenigd in een Vereniging die samen met de exploitant sinds 2012 jaarlijks overleg voert met de gemeente. De gemeente was – onweersproken – op de hoogte van deze werkwijze. Met dagtekening 21 mei 2014 is door B&W een brief gestuurd aan belanghebbende met de mededeling dat is besloten om vanaf 2014 voor het deel van het jaar dat gebruik plaatsvindt (mei t/m september) de strandhuisjes die zijn aangesloten op het riool in de heffing te betrekken. De heffingsambtenaar heeft bezwaar van belanghebbende tegen de opgelegde aanslag afgewezen.
In geschil is of de aanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het gelijk-heidsbeginsel. Het hof stelt vast dat in maart 2014 het bedoelde jaarlijkse overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden en dat tijdens dat overleg van de zijde van de gemeente niet aan de orde is gesteld dat voortaan (ook) aanslagen rioolheffing zouden worden opgelegd aan de eigenaren van de strandhuisjes zoals bedoeld in de brief van 21 mei 2014. Tevens staat vast dat tot en met het jaar 2014 aan de exploitant aanslagen rioolheffing zijn opgelegd naar het hogere, variabele tarief waarbij ook de waterafname van de strandhuisjes in de grondslag betrokken werden.
Naar het oordeel van het hof hebben deze feiten en omstandigheden bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk kunnen wekken dat de door de heffingsambtenaar gedurende enige jaren gevolgde gedragslijn berustte op een weloverwogen standpuntbepaling waaraan belang-hebbende een in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Dit vertrouwen moet in ieder geval worden gehonoreerd tot de brief van 21 mei 2014, het tijdstip waarop de heffingsambtenaar de belastingplichtige kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd. Echter, heffing kan onder die omstandigheden niet plaatsvinden over een tijdvak waarin het vertrouwen was geëindigd. Omdat belanghebbende reeds voor maart 2014 de pachtprijs, met daarin begrepen het door de exploitant doorberekende bedrag aan rioolheffing, aan de exploitant heeft voldaan, is het hof van oordeel dat in dit geval over het gehele tijdvak van de aanslag niet geheven kan worden. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat de aanslag ten onrechte is opgelegd.
DATUM:
31 mei 2016
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2016:2718
ZAAKNUMMER:
15/00797
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
