Heffing t.a.v. caravans op een camping en recreatiewoningen op een recreatieterrein
Aan belanghebbende zijn voor 40 caravans op een camping aanslagen rioolheffing eigenaar opgelegd. Verder zijn aan belanghebbende voor 181 op een bungalowpark gelegen recreatiewoningen aanslagen rioolheffing eigenaar opgelegd.
Belanghebbende voert aan dat de caravans op de camping niet als woning zijn aan te merken in de zin van de verordening en onder het verlaagde tarief voor recreatiewoningen zouden moeten vallen. Belanghebbende bestrijdt niet dat de camping één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt geëxploiteerd. Als gevolg hiervan is ingevolge de verordening niet van belang of sprake is van een woning of niet. Van belang is of een perceel een bouwwerk of gebouwd eigendom is. Een caravan is als zodanig aan te merken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de caravans als woning zijn aan te merken in de zin van de verordening, nu in dit kader is aangesloten bij artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet. Onder een woning dient dan te worden verstaan, een ruimte die op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Daarvan is bij de op de camping gelegen caravans sprake.
Ten aanzien van de recreatiewoningen stelt belanghebbende dat voor haar situatie het verlaagd tarief van € 142 per bungalow van toepassing is, omdat sprake is van een recreatieterrein dat in eigendom is bij één eigenaar en dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
De rechtbank overweegt dat het de bedoeling van de wetgever is dat een terrein dat behoort tot het zakelijke recht van één eigenaar en bestemd is voor verblijfsrecreatie wordt aangemerkt als één onroerende zaak, mits dit terrein ook als zodanig wordt geëxploiteerd. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van het exploiteren van het recreatieterrein door belanghebbende. Blijkens het uittreksel van de KvK bestaan de activiteiten van belanghebbende uit het beheer van onroerend goed en het behartigen, zonder winstoogmerk, van de gemeenschappelijke belangen van haar leden. Belanghebbende heeft verklaard dat de verkoop van (het gebruiksrecht van) de recreatiewoning via haar gaat, maar dat een eventuele winst naar de verkoper van het gebruiksrecht gaat. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat belanghebbende het recreatieterrein exploiteert. Niet gebleken is dat het gebruik van het recreatieterrein door belanghebbende op enige manier op winstoogmerk is gericht. Nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet WOZ, is de aanslag naar het juiste tarief opgelegd.
DATUM:
23 maart 2015
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2015:2032
ZAAKNUMMER:
13/5955, 13/6383 en 13/6384
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
