Afstand tussen parkeerplaats en parkeerautomaat
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Voor het Hof stelt belanghebbende dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, aangezien in het gebied onvoldoende betaalautomaten aanwezig zijn en er aldus voor parkeerders onvoldoende gelegenheid is om op een redelijke wijze aan de belastingplicht te kunnen voldoen. Het Hof oordeelt dat de mate van de afstand tot de dichtstbijzijnde parkeerautomaat en de tijd die gemoeid is om een kaartje te kopen niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag. In cassatie gaat de Hoge Raad er veronderstellenderwijs van uit dat in het onderhavige geval de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeerautomaat 250 meter bedroeg. Anders dan de klacht aanvoert, doet die afstand volgens de Hoge Raad niet af aan de bevoegdheid van de gemeente de ter zake van het parkeren verschuldigde parkeerbelasting na te heffen, met inbegrip van de in artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet bedoelde kosten. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden. Het beroep is ongegrond.
Terug naar kennisbankDATUM:
18 april 2003
ECLI:
ECLI:NL:HR:2003:AF7497
ZAAKNUMMER:
38 072
INSTANTIE:
Hoge Raad
