Geen wettelijke grondslag, omdat geen activiteitenplan is ingediend
In geschil is of de BIZ-heffing in strijd is met het bepaalde in de Wet, de Verordening en de Uitvoeringsovereenkomst.
De rechtbank overweegt dat uit de Uitvoeringsovereenkomst volgt dat de Stichting jaarlijks een begroting en een activiteitenplan moet indienen voor het betreffende gebied. Daaruit dienen naar de rechtbank begrijpt de door de Stichting voor dat jaar te realiseren activiteiten te blijken. De rechtbank acht dit een redelijk en noodzakelijk vereiste. Immers, aan de hand daarvan is te beoordelen of de voorgenomen activiteiten voldoen aan de wettelijke criteria. De heffingsambtenaar heeft weliswaar een afschrift van de begroting overgelegd, maar gesteld noch gebleken is dat de Stichting ook een activiteiten-plan heeft ingediend. In zoverre is niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Verordening en de Uitvoeringsovereenkomst. Bezien in samenhang met de eis dat dwingend moet zijn vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend, bestaat naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom voor het heffen van een BIZ-bijdrage geen wettelijke grondslag. Voor zover de heffingsambtenaar meent dat de Stichting niet jaarlijks een activiteitenplan hoeft in te dienen, omdat voldoende duidelijk is welke activiteiten zij moet verrichten, volgt de rechtbank hem daarin niet. De heffingsambtenaar stelt nog dat uit de begroting in grote lijnen de activiteiten voor dat jaar volgen, terwijl de activiteiten ook doorlopend worden vermeld op de relevante internetsite en daarnaast ook worden besproken in onderlinge overleggen. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat voorbij kan worden gegaan aan het feit dat de Stichting niet een concreet activiteitenplan heeft ingediend. De wijze van presenteren van de activiteiten is naar het oordeel van de rechtbank, ook bezien in samenhang met de door de Stichting ingediende begroting, daartoe onvoldoende concreet en inzichtelijk en daarmee onvol-doende toetsbaar en afdwingbaar. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in de Uitvoe-ringsovereenkomst specifiek is bepaald dat naast een begroting jaarlijks ook een activitei-tenplan moet worden ingediend. Daaruit kan worden afgeleid dat het enkele indienen van een begroting, waarmee de heffingsambtenaar in feite genoegen neemt, niet voldoende is om te voldoen aan het bepaalde in de Uitvoeringsovereenkomst.
DATUM:
05 april 2016
ECLI:
ECLI:NL:RBDHA:2016:3828
ZAAKNUMMER:
AWB-16/257
INSTANTIE:
Rechtbank Den Haag
