Geen zelfstandige gedeelten bij een niet afsluitbare tussendeur
Belanghebbende heeft een woning in de gemeente Twenterand die bij een verbouwing geschikt is gemaakt voor bewoning door 2 gezinnen. Op de eerste verdieping is tussen de 2 gedeelten een deur zonder slot, die ook niet anderszins afsluitbaar is. In geschil is of deze gedeelten moeten worden aangemerkt als afzonderlijke onroerende zaken in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ.
De Hoge Raad overweegt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, dat een gedeelte van een gebouwd eigendom op relatief eenvoudige wijze afsluitbaar gemaakt zou kunnen worden, niet mee brengt dat dit gedeelte afsluitbaar is. Bepalend is de toestand waarin het gebouwd eigendom in feite verkeert (HR 12 februari 2010, LJN BL3592). Een niet afsluitbare tussendeur brengt mee dat de aan weerszijden daarvan gelegen gedeelten van het object niet door afsluiting van elkaar gescheiden kunnen worden, ook indien die tussendeur zich op de eerste verdieping van een gebouwd eigendom bevindt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De aanwezigheid van de - niet afsluitbare - tussendeur leidt ertoe dat de 2 gedeelten van het gebouwd eigendom niet voldoen aan de eis dat zij blijkens hun indeling zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Daaraan kan niet afdoen dat, naar de heffingsambtenaar ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld, voor de tussendeur een bankstel was geplaatst. Dit is een die niet de indeling van het gebouw betreft. De heffingsambtenaar heeft derhalve ten onrechte 2 beschikkingen vastgesteld met betrekking tot gedeelten van een onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ.
De beschikkingen kunnen niet in stand blijven. De heffingsambtenaar kan voor het juist afgebakende object een nieuwe waardebeschikking geven (HR 9 mei 2003, LJN AD6058).
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond.
DATUM:
04 juni 2010
ECLI:
ECLI:NL:HR:2010:BM6698
ZAAKNUMMER:
09/04225
INSTANTIE:
Hoge Raad
