Kerkenvrijstelling niet van toepassing op spiritueel centrum
Aan belanghebbende is een aanslag OZB opgelegd door de heffingsambtenaar van de RBG. De onroerende zaak is in hoofdzaak een spiritueel centrum. In geschil is of de kerkenvrijstelling van art. 220d, lid 1, aanhef en onder c Gemeentewet van toepassing is.
De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel de hoorplicht als het motiveringsbeginsel (bij de uitspraak op bezwaar) zijn geschonden. Ten aanzien van de kerkenvrijstelling oordeelt de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van een genootschap, omdat een formele structuur ontbreekt, alsmede een samenstel van principes, regels of tradities met een historische inbedding en herkenbaarheid. Tevens zijn de activiteiten niet “openbaar” zoals bedoeld in de kerkenvrijstelling. Onder “openbaar” moet dan worden verstaan, voor iedereen, zonder enige beperking of verplichting tot betaling, vrij toegankelijk. Dit is niet het geval nu voor een gedeelte van de activiteiten moet worden betaald. Ook is geen sprake van strijd met het discriminatieverbod. Het spiritueel centrum van belanghebbende is namelijk niet gelijk aan (bijvoorbeeld) een christelijke kerk en evenmin aan een genootschap van levensbeschouwelijke aard, aangezien belanghebbendes activiteiten geen genootschap vormen. Tot het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank geen aanleiding.
DATUM:
16 februari 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2018:7357
ZAAKNUMMER:
ROT 17/1003 en ROT 17/4478
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
