Heffingsambtenaar heeft de mogelijkheid een navorderingsaanslag op te leggen
De heffingsambtenaar van RBG bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat een hogere WOZ-waarde geen gevolgen heeft voor de op basis van de oorspronkelijk beschikte waarde vastgestelde aanslag, omdat een beroep niet tot een hogere aanslag kan leiden. De heffingsambtenaar heeft hierbij gewezen op de in art. 18a AWR neergelegde navorderingsbevoegdheid.
Het hof stelt voorop dat ingevolge art. 30 lid 2 Wet WOZ een bezwaarschrift tegen een WOZ-beschikking die is verenigd in 1 geschrift met een aanslag OZB geacht wordt mede te zijn gericht tegen die aanslag, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt. In deze zaak zijn de aanslag en de WOZ-beschikking in één geschrift verenigd. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift inzake de “waardevaststelling WOZ” vermeld dat een aanpassing van de WOZ-waarde zal leiden tot navordering van diverse gemeentelijke heffingen. Het hof concludeert hieruit dat belanghebbendes bezwaar uitsluitend de WOZ-waarde betreft en niet de aanslag. Nu een bezwaar tegen de aanslag ontbreekt, heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar terecht vernietigd. Het hof overweegt verder dat de opvatting van de heffingsambtenaar over art. 18a AWR kennelijk berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft zich in haar uitspraak niet uitgelaten over de toepasselijkheid van art. 18a AWR. Dat een beroep niet kan leiden tot een hogere aanslag is juist. De bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag berust immers bij de heffingsambtenaar en niet bij de rechter. De gewraakte overweging van de rechtbank laat derhalve onverlet dat de heffingsambtenaar de mogelijkheid heeft een navorderingsaanslag op te leggen, welke mogelijkheid belanghebbende in zijn bezwaarschrift ook expliciet heeft onderkend.
DATUM:
18 juli 2017
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2017:3588
ZAAKNUMMER:
BK-17/00413
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
