Concessiehouder is gebruiker RandstadRail
Het Stadsgewest heeft het operationeel beheer van de RandstadRail in Zoetermeer en Den Haag via een concessie aan belanghebbende uitbesteed. Belanghebbende zorgt voor het uitvoeren van openbaar vervoer per sneltram in Zoetermeer. Belanghebbende stelt dat zij als concessiehouder niet kan worden aangemerkt als gebruiker van de stations.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer terecht belanghebbende als gebruiker van de stations en daarmee als belastingplichtige voor de OZB en rioolheffing aangemerkt. Belanghebbende heeft door middel van een concessie het operationeel beheer van de RandstadRail verkregen van het Stadsgewest. De stations zijn gelegen aan dit spoorstelsel. Belanghebbende heeft bij de concessie het alleenrecht gekregen voor de exploitatie van het personenvervoer via de RandstadRail. Daardoor is zij ook gebruiker van de stations. Deze zijn immers onlosmakelijk verbonden aan het verrichten van openbaar vervoersdiensten, want zonder haltes en stations is het openbaar vervoer van personen niet mogelijk. Belanghebbendes stelling dat de reizigers als gebruikers van de stations moeten worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. De reizigers betreden de stations om als passagiers plaats te nemen in de trams van belanghebbende die het station aandoen of om zich, na zodanig vervoer, naar elders te begeven. Het in die zin gebruikmaken van de stations moet worden aangemerkt als gebruik door belanghebbende (vgl. Hof Amsterdam 17 oktober 2003; ECLI: NL:GHAMS:2003:AM7962). Belanghebbende voert subsidiair aan dat het Stadsgewest de stations maar voor een deel aan haar in gebruik heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank horen de reclame- en informatiezuilen en de uitloopstroken bij de stations en vormen zij onzelfstandige delen van het station. Er is dan ook terecht uitgegaan van één WOZ-object per station. De uitloopstroken zijn niet aan derden in gebruik gegeven. Deze delen zijn dienstbaar aan de stations en maken daarvan deel uit, zodat belanghebbende als gebruiker ervan heeft te gelden. Dat bepaalde delen uit veiligheidsoverwegingen niet vrij toegankelijk zijn voor het publiek, maakt dit niet anders. De rechtbank acht het gebruik door derden van de reclamezuilen, als onzelfstandige delen van het station, van een zodanig ondergeschikte betekenis dat niet tot het oordeel wordt gekomen dat er deelgebruik is in de zin van art. 220b lid 1 aanhef en onderdeel a Gemeentewet.
DATUM:
30 mei 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBDHA:2017:6152
ZAAKNUMMER:
AWB-16/2554
INSTANTIE:
Rechtbank Den Haag
