Gemeenschappelijke voorzieningen en gronden recreatiepark delen niet in woondelenvrijstelling
In geschil is naar welke heffingsmaatstaf de aanslag OZB-gebruikersbelasting van een recreatiepark, bestaande uit een kampeerterrein, meerdere jachthavens met aanlegsteigers en recreatiewoningen, moet worden berekend. Belanghebbende stelt dat de gemeenschappelijke voorzieningen en gronden, zoals receptie/kantoor, zwembaden, werkplaats, materiaalberging, recreatieruimte en infrastructuur, kunnen worden aangemerkt als ‘in-hoofdzaak-woondelen’ als bedoeld in art. 220e Gemeentewet. Hij stelt dat deze voorzieningen en gronden dienstbaar zijn aan zowel de recreatiewoningen als de niet-woondelen, en dat dit meebrengt dat de mate waarin dergelijke voorzieningen en gronden dienstbaar zijn aan de recreatiewoningen en de niet-woondelen, moet worden bepaald naar rato van de waarde van die woningen en die niet-woondelen. Belanghebbende stelt dat 68,7% van de waarde van de gemeenschappelijke voorzieningen en gronden deelt in de woondelenvrijstelling.
Het hof overweegt dat als regel weliswaar kan worden aangenomen dat de mate waarin voorzieningen en gronden dienstbaar zijn aan de recreatiewoningen en de niet-woondelen, moet worden bepaald naar rato van de waarde van die woningen en die niet-woondelen, maar dat belanghebbende heeft miskend dat, nu de recreatiewoningen blijkens haar eigen stelling voor minder dan 70 percent deel uitmaken van de totale waarde van de recreatiewoningen en de niet-woondelen, de gemeenschappelijke voorzieningen en gronden in beginsel niet in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Niet gesteld is dat de gemeenschappelijke voorzieningen en gronden direct dienstbaar zijn aan één van beide gedeelten. Dit betekent dat de gemeenschappelijke voorzieningen en gronden als gevolg daarvan niet delen in de woondelenvrijstelling.
DATUM:
24 april 2019
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2019:3624
ZAAKNUMMER:
18/00835
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
