Woondelenvrijstelling tbs-kliniek

Belanghebbende heeft voor belastingjaren 2013 en 2014 OZB-aanslagen (gebruikersdeel) ontvangen waarbij door de heffingsambtenaar van de gemeente Hardenberg geen woondelenvrijstelling in aanmerking is genomen.
In beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak overwogen dat gelet op de niet betwiste verblijfsduur van de ter beschikking gestelden van minimaal 4 jaren en gemiddeld 9 jaren, niet gesproken kan worden van een verblijf van tijdelijke aard, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1125).
De heffingsambtenaar stelt in hoger beroep dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan het arrest heeft gegeven. Niet de lengte van het verblijf, maar slechts de aard van het verblijf is volgens de heffingsambtenaar bepalend voor de vraag of het verblijf al dan niet van duurzame aard is op grond waarvan een woondelenvrijstelling kan worden genoten.
Naar het oordeel van het hof is uit het arrest niet af te leiden dat louter de aard van het verblijf bepalend is voor de vraag of het verblijf al dan niet van duurzame aard is. Het tijdselement speelt daarbij, anders dan de heffingsambtenaar meent, wel degelijk een rol. Uit het arrest blijkt namelijk dat de Hoge Raad het tijdselement (mede) van belang acht door te overwegen dat van een verblijf van duurzame aard geen sprake is in geval van verblijf in een tehuis met het oog op kortdurende behandeling of dagbehandeling, dan wel verblijf in een hospice door personen met een levensverwachting van ten hoogste enkele maanden. Aangezien belanghebbende zich beroept op toepassing van de woondelenvrijstelling, rust op hem de last om, tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, de feiten te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat in het onderhavige geval de woondelenvrijstelling van toepassing is. Het hof is van oordeel dat belanghebbende het van hem verlangde bewijs heeft geleverd. Hij heeft namelijk gesteld dat de minimale verblijfsduur in de kliniek van de ter beschikking gestelden 4 jaren betreft. Alhoewel de heffingsambtenaar deze minimale verblijfsduur bij gebrek aan wetenschap heeft betwist, acht het hof belanghebbendes verklaring geloofwaardig. Daarbij neemt het hof in overweging dat de terbeschikkingstelling door de rechter voor 2 jaar wordt opgelegd en vervolgens steeds met 1 of 2 jaar door de rechter kan worden verlengd (art. 38d WvSr), alsook dat de tot 4 jaar gemaximeerde terbeschikkingstelling (art. 38e WvSr) eveneens voor 2 jaar wordt opgelegd maar slechts eenmaal met 2 jaar of ten hoogste 2 maal voor 1 jaar kan worden verlengd. Ook acht het hof van belang dat de heffingsambtenaar tot de zitting de minimale verblijfsduur niet ter discussie heeft gesteld. Bij een dergelijke minimale verblijfsduur, maar ook als die 2 jaren zou betreffen, kan niet geoordeeld worden dat het verblijf naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft. Dit komt mede tot uitdrukking doordat de ‘bewoners’ op het adres van de kliniek in de gemeentelijke basisadministratie personen van Hardenberg worden ingeschreven. Dat het uiteindelijke doel van de behandeling van de meeste ter beschikking gestelden is gericht op terugkeer naar de maatschappij dan wel overplaatsing naar een vervolginstelling doet daar niet aan af. Belanghebbende heeft voor beide kalenderjaren derhalve recht op toepassing van de woondelenvrijstelling.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.