Woondelenvrijstelling niet van toepassing op woonpaviljoens

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een particulier behandelcentrum ter observatie, diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en risicomanagement van kinderen, jongeren (en hun gezin) met een ernstig ontwikkelingsrisico in de gemeente Overbetuwe. De onroerende zaak is een terrein met gebouwen met een (overwegend) centrale functie, zoals kantoor, keuken, werkplaats, educatie en opslag, en een zogenoemd ambulatorium voor dagbehandeling, een kinderboerderij, een sporthal en een kerk. Daarnaast zijn er gebouwen met hoofdzakelijk een woon- en verblijffunctie (woonpaviljoens). De woonpaviljoens hebben ruimten met een kantoorfunctie, gemeenschappelijke woonkamers, keukens en sanitaire ruimten, en bestaan voor het overige uit afzonderlijke slaapkamers met een toilet- en doucheruimte. De slaapkamers zijn afgesloten met een stalen deur die aan de buitenzijde afsluitbaar is. Het terrein is afgezet deels met hekwerk, deels met muren voorzien van prikkeldraad. De toegangswegen kunnen worden afgesloten met slagbomen. In geschil is of op de woonpaviljoens de woondelenvrijstelling van toepassing is.

Het hof beoordeelt de vraag of de jongeren tijdens hun verblijf wonen in de instelling in die zin dat de woondelenvrijstelling van toepassing is aan de hand van de uitgangspunten in het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1125). Uit dit arrest volgt dat het verblijf in een instelling het karakter heeft van wonen indien personen in die instelling verblijven vanwege hun behoefte aan zorg en niet in hun oorspronkelijke woonomgeving kunnen blijven, en hun verblijf (in het algemeen) naar zijn aard geen tijdelijk karakter heeft maar als duurzaam moet worden aangemerkt. Van een dergelijk als wonen aan te merken verblijf van duurzame aard is echter geen sprake bij verblijf in een tehuis met het oog op kortdurende behandeling. Gelet op de omstandigheden waaronder de jongeren in de instelling (gedwongen) worden opgenomen, de omstandigheden waarin zij in de instelling verblijven (waaronder de (mogelijkheid tot) nachtelijke opsluiting en overige vrijheidsbenemende maatregelen) en de omstandigheid dat de jongeren in de instelling beroepsmatige zorg wordt geboden, aangeduid als behandeling, die erop is gericht die jongere weer zo spoedig mogelijk te laten uitstromen, moet inzake het verblijf in de instelling naar het oordeel van het hof worden geoordeeld dat het naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft zodat het niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Tijdelijkheid van het verblijf en transfer van de jongeren naar de maatschappij is immers het door belanghebbende nagestreefde doel zodat zij zo snel mogelijk weer volwaardig en verantwoord deel kunnen nemen aan de samenleving. Dat belanghebbende ernaar streeft in de instelling zoveel mogelijk een sfeer te creëren van een (rustige) thuissituatie doet daaraan niet af. Dat maakt het verblijf immers niet minder tijdelijk. Hieruit volgt dat de woondelenvrijstelling niet van toepassing is. 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.