Wegingsfactor terecht vastgesteld op 1,0 wegens samenhang
In één besluit zijn de waardes van 28 onroerende zaken in 9 verschillende gemeenten vastgesteld. In de uitspraak op bezwaar hebben de heffingsambtenaren van de verschillende gemeenten – ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft – op het bezwaar beslist. Daarbij is enkel het bezwaar met betrekking tot één in Maastricht en twee in Heerlen gelegen objecten gegrond verklaard en is de waarde verlaagd. Belanghebbende stelt dat de wegingsfactor voor proceskostenvergoeding 1,5 moet zijn in plaats van 1.
De rechtbank merkt op dat uit arresten van de Hoge Raad van 12 april 2013 volgt dat sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten of in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Volgens de rechtbank is een bezwaar van het door de Hoge Raad voorgestane systeem ook dat de vraag naar de hoogte van een eventuele vergoeding bepaald wordt door deelname in een gemeenschappelijke regeling of keuzes om aanslagen wel of niet op één aanslagbiljet en/of één uitspraak op bezwaar op te nemen. Bepalend zou moeten zijn hoe zwaar een individuele zaak is en welke wegingsfactor daarbij past vanwege die zwaarte en in hoeverre werkzaamheden vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de voor vergoeding in aanmerking te brengen proceshandelingen van een gemachtigde in beginsel per gemeente dienen te worden berekend. In het onderhavige geval is echter sprake van negen verweerders die de uitvoering van de lokale belastingheffing hebben overgedragen aan een gemeenschappelijke regeling. Enkel en alleen om die reden staan de aanslagen op één aanslagbiljet. Dit betekent vervolgens echter niet dat ook in het geval van meerdere verweerders niet tot samenhang kan worden geconcludeerd. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat verweerders voor de in Heerlen en Maastricht gelegen objecten met juistheid zijn uitgegaan van wegingsfactor 1 vanwege het aantal samenhangende zaken (minder dan 4 per gemeente) en de zwaarte daarvan (dezelfde waarderingsmethodiek en grotendeels identiek).
DATUM:
14 maart 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBLIM:2018:2431
ZAAKNUMMER:
ROE 17/3603 WOZ KL
INSTANTIE:
Rechtbank Limburg
