Geen willekeurige en onredelijke belastingheffing
In geschil is of de Verordening leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Belanghebbende stelt dat nu bepaalde kostenposten in de loop der jaren zijn weggevallen, de jaarlijkse aanslag vermakelijkhedenretributie steeds meer gaat afwijken van de feitelijke kosten die als basis dienen voor de aanslag.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke basis wordt gevormd door artikel 229, eerste lid, aanhef en letter c, van de Gemeentewet. De wetgever heeft aan de vermakelijkhedenretributie slechts in zoverre het karakter van retributie willen toekennen dat aan de heffing ten grondslag dient te liggen dat een vermakelijkheid profiteert van een door of vanwege het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorziening, die voor de gemeente lasten meebrengt. De gemeente behoeft niet aan te geven welk bedrag van de met die voorziening gemoeide lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. Het heffen van een vermakelijkhedenretributie door een gemeente kan onder omstandigheden leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Voor deze ‘toets’ dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de hoogte van de retributie en het profijt dat de retributieplichtigen van de desbetreffende voorzieningen ondervinden. Belanghebbende legt een groot beslag op de gemeentelijk voorzieningen waarvan zij profiteert. Daarbij noemt de rechtbank met name de investering in en het onderhoud van verkeersvoorzieningen, die voor belanghebbende bij de circa 2,4 miljoen bezoekers in het jaar waarvan de voorlopige aanslag uitgaat, van eminent belang waren. Gelet ook op de hoogte van de voorlopige aanslag vermakelijkhedenretributie, te weten € 226.890, kan niet worden geoordeeld dat er een wanverhouding bestaat tussen de hoogte van de retributie en het profijt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
DATUM:
01 september 2008
ECLI:
ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0796
ZAAKNUMMER:
AWB 07/1068
INSTANTIE:
Rechtbank Breda
