Een marina is een roerende zaak, geen bestanddeel van een recreatiepark

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd, die na bezwaar is gehandhaafd. De Rechtbank Breda heeft het beroep ongegrond verklaard. Hof 's Hertogenbosch heeft het beroep gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld.De waterwoning (“marina”) is gelegen in een recreatiepark. De marina bestaat uit een betonnen caisson (het drijflichaam) met een diepgang van ongeveer anderhalve meter en een houten opbouw. De marina grenst aan één zijde aan een naastgelegen marina, aan één zijde aan open water en aan twee zijden aan de wal. Op de wal is een tuin aangelegd die grenst aan de marina.
De Hoge Raad overweegt dat een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, moet worden aangemerkt als een schip in de zin van artikel 8:1 van het BW en is in het algemeen een roerende zaak (zie HR 15 januari 2010, LJN BK9136).
Het middel beroept zich erop dat de Inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd dat de marina geen zelfstandig drijfvermogen heeft en dat de bevestiging aan stabilisatiepalen moet voorkomen dat zij gaat kantelen. Het middel faalt in zoverre, omdat deze omstandigheden niet verhinderen dat de marina bestemd is om te drijven en ook drijft in de zojuist bedoelde zin.
In het middel wordt verder betoogd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het standpunt van de Inspecteur dat de marina onroerend is, omdat zij op grond van artikel 3:4 van het BW volgens verkeersopvatting kan worden aangemerkt als bestanddeel van het recreatie-park waarin zij gelegen is. Bij de beantwoording van de vraag of de marina's bestanddeel in de zin van artikel 3:4 BW van een onroerende zaak zijn, dient niet het recreatiepark als mogelijke hoofdzaak in aanmerking te worden genomen, maar - voor iedere afzonderlijke marina - de grond onder en naast die marina. Daarbij kan de verkeersopvatting alleen in aanmerking worden genomen als onzekerheid bestaat of die marina kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd (zie HR 31 oktober 1997, LJN ZN2478). Dit is geen aspect dat zelfstandi-ge beoordeling behoeft naast de vraagpunten waarop het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010 (LJN BK9136) betrekking heeft. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.