Geen recht op WOZ-beschikking noch medebelanghebbendebeschikking
Belanghebbenden hebben woningen in Amsterdam in erfpacht. B&W heeft een Overstapregeling van voortdurende naar eeuwigdurende erfpacht voor woonbestemmingen 2017 vastgesteld. Aan belanghebbenden is over 2015 al een beschikking verstrekt. Belanghebbenden hebben een nieuwe WOZ-beschikking voor 2015 en 2016 gevraagd, omdat zij destijds niet wisten dat de WOZ-waarde voor die kalenderjaren van belang zou zijn bij de overstap naar eeuwigdurende erfpacht. De heffingsambtenaar heeft de verzoeken afgewezen.
Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbenden dat niet het hof, maar de ABRvS bevoegd is het hoger beroep te behandelen. In art. 30 Wet WOZ is onder meer art. 26 AWR van overeenkomstige toepassing verklaard met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling. Ingevolge de bijlage Awb is uitsluitend de belastingkamer bevoegd het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent op grond van art. 26 AWR genomen besluiten te behandelen. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 26 lid 1 AWR heeft bovendien tot gevolg dat het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen van toepassing is. Dit betekent dat het besluit van de heffingsambtenaar om het verzoek van belanghebbenden tot afgifte van een waardebeschikking af te wijzen alleen dan voor bezwaar vatbaar is, indien een wettelijke bepaling in de Wet WOZ voorziet in de mogelijkheid om bezwaar te maken als dit verzoek wordt afgewezen. De heffingsambtenaar heeft verder terecht het standpunt heeft ingenomen dat art. 22 lid 1 Wet WOZ slechts voorziet in de afgifte van één waardebeschikking voor een desbetreffend jaar. Er bestaat ook geen recht op een medebelanghebbendebeschikking op grond van art. 28 lid 1 Wet WOZ.
DATUM:
11 juli 2019
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2019:2442
ZAAKNUMMER:
18/00698
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
