Geen schending processuele vormvoorschriften in bezwaar en beroep

Belanghebbende heeft een aanvraag omgevingsvergunning gedaan voor het plaatsen van een dakkapel op zijn woning. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Zaltbommel een bedrag van € 549 aan leges in rekening gebracht. In geschil is of sprake is van schending van vormvoorschriften. Belanghebbende beklaagt zich over schending van de vormvoorschriften van 7:4 lid 2 Awb wegens het pas na de hoorzitting verstrekken van bepaalde stukken en pas bij de uitspraak op bezwaar overleggen van de stukken over de activiteiten die de omgevingsdienst Rivierenland (ODR) zou hebben verricht. Ook stelt hij schending van artikel 8:69 Awb, omdat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de gestelde schending van artikel 7:9 Awb nu de heffingsambtenaar na de hoorzitting stukken heeft overgelegd zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen opnieuw te worden gehoord.
Het hof stelt vast dat uitsluitend schermprints van het registratiesysteem in de bezwaarfase niet zijn overgelegd. De schermprints bevatten informatie over de door ODR uitgevoerde handelingen ten aanzien van de door belanghebbende ingediende aanvraag en bevat daarmee voor de procedure relevante informatie. Deze stond de heffingsambtenaar ten tijde van het bestreden besluit al (deels) ter beschikking en heeft een rol gespeeld bij de besluitvorming. Daarmee is sprake van op de zaak betrekking hebbende stukken. Echter, bezien in het licht van al hetgeen de heffingsambtenaar heeft overgelegd, twee hoorgesprekken en het feit dat aan belanghebbende is gemeld dat zijn aanvraag in behandeling is genomen, acht het hof het ontbreken van de prints van zodanig gering belang dat het hof daaraan geen rechtsgevolgen zal verbinden. Op grond van artikel 7:9 Awb wordt, wanneer na het horen feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbende meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Hetgeen belanghebbende stelt betreft volgens het hof geen feiten en omstandigheden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn voor de op bezwaar te nemen beslissing in de zin van artikel 7:9 Awb of leiden tot een verplichting tot het houden van een nadere hoorzitting. De rechtbank naar het oordeel van het hof niet in strijd gehandeld met artikel 8:69 lid 1 Awb. De rechtbank is voldoende ingegaan op de stellingen van belanghebbende. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van art. 81 RO.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.