Feitelijke waterverplaatsing dient de grondslag voor heffing te zijn
Belanghebbende exploiteert een zogenoemde inlandterminal te Hengelo. Het geschil over de aanslag van de heffingsambtenaar van GBT betreft meerdere bezoeken van een binnenvaartschip aan de haven van belanghebbende in 2017. Dit binnenvaartschip is een zogenoemd bovenmaats schip, dat normaliter niet op de Twentekanalen mag varen, maar waarvoor door Rijkswaterstaat aan belanghebbende desgevraagd een ontheffing is verleend, zij het met maximale diepgang van 2,20 meter.
De rechtbank oordeelt dat uit de verordening blijkt dat de waterverplaatsing volgens de bij het schip behorende meetbrief de grondslag vormt voor de heffing. Omdat een meetbrief voor elke inzinking (of diepgang) een bijbehorende vooraf berekende waterverplaatsing bevat kan, anders dan de heffingsambtenaar heeft gedaan, uit de woorden “volgens de bij het schip behorende geldige meetbrief” niet volgen dat alleen de waarde in de meetbrief als uitgangspunt voor de heffing kan dienen. Volgens de rechtbank kan uit de omstandigheid dat de verordening een maximum en een minimum tarief noemt, worden afgeleid dat de grondslag van de heffing wordt gevormd door de feitelijke, daadwerkelijke waterverplaatsing van het vaartuig. Dat past ook het beste bij de ratio van deze heffing, waarbij de kosten van onderhoud en beheer van havens en vaarwegen worden verhaald op de gebruikers, naar de mate van het feitelijke gebruik. =
DATUM:
27 augustus 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBOVE:2018:3095
ZAAKNUMMER:
Awb 18/412
INSTANTIE:
Rechtbank Overijssel
