Geen bezwaar mogelijk tegen informatiebrief

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft belanghebbende bij brief geïnformeerd over het binnenhavengeld pleziervaart 2013. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij e-mailbericht heeft Waternet namens de heffingsambtenaar bericht dat tegen de informatiebrief geen bezwaar mogelijk is. Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de brief, omdat hij geen andere bezwaarmogelijkheid had.
Het hof overweegt dat het binnenhavengeld pleziervaart wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de AWR wordt voor de mogelijkheid van beroep een voldoening op aangifte gelijk gesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Belanghebbende kon dus bezwaar instellen tegen zijn eigen voldoening op aangifte. Uit de bewoordingen van het bezwaarschrift leidt het hof af dat het bezwaar van belanghebbende is gericht tegen de hoogte van het tarief. Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat zijn bezwaarschrift (tevens) aangemerkt dient te worden als een bezwaar tegen de eigen voldoening op aangifte overweegt het hof dat belanghebbende de verschuldigde rechten heeft voldaan op 17 mei 2013. Het bezwaarschrift van 27 maart 2013 is duse voor de aanvang van de termijn ingediend. Aangezien de opdracht tot betaling op 27 maart 2013 nog niet was verstrekt en de omstandigheid dat belanghebbende over een eerder jaar aangifte heeft gedaan, brengt niet mee dat hij voor dit jaar redelijkerwijs kon menen dat het relevante – gelijkgestelde – besluit reeds tot stand was gekomen. De omstandigheid dat in de brief het bedrag van het binnenhavengeld is vermeld dat moet worden voldaan, maakt dit niet anders.
De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij tijdens het door hem met een medewerker van Waternet gevoerde telefoongesprek niet is gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte kan eventueel relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een na die voldoening gemaakt bezwaar, maar leidt niet tot het oordeel dat niet-ontvankelijkheid van het voortijdig ingediende bezwaarschrift ingevolge artikel 6:10 van de Awb achterwege dient te blijven.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.